Niet gezegd...

Hij ziet er bleekjes uit, constateer ik. Hij hangt wat onderuit gezakt in zijn kinderstoel en heeft weinig eetlust. Normaal gesproken heeft hij in een mum van tijd zijn bord leeg en weet hij niet hoe snel hij een volgende portie kan krijgen. Maar nu niet. Hij eet met lange tanden en speelt meer met zijn eten dan dat hij eet. Met een nietsziende blik staart hij voor zich uit. Als ik hem wat vraag, fluistert hij zijn antwoord. Alles wijst erop dat hij ziek gaat worden.

Al eerder heb ik gemerkt dat hij anders is op de dagen voordat hij ziek wordt. Hij is dan erg rustig en aanhankelijk en van zijn luidruchtige gedrag is weinig meer te merken. Het luide en drukke gepraat dat normaal gesproken erg monotoon en staccato klinkt, verandert in zacht gefluister van slechts het hoognodige. In die dagen is hij graag bij me en zit het liefst, haast apathisch, op de bank. Het lijkt dan alsof zijn hele lichaam tot rust komt. Als een soort stilte voor de storm. Die storm komt er namelijk als hij weer gaat opknappen. Dan haalt hij de schade van het ziek zijn dubbel en dwars in.

Hij geeft nu niet aan dat hij zich niet lekker voelt. Of dat hij ergens pijn heeft. Hij vraagt ook niet of hij eerder naar bed mag of even op de bank mag liggen. Op de bank lig je niet, maar zit je om iets te doen. En overdag naar bed gaan, kan al helemaal niet. Naar bed ga je ’s avonds op een vast tijdstip om te slapen. Dus rek ik vandaag na het avondeten nog wat tijd om hem op een normale tijd naar bed te kunnen brengen. Hij gaat rustig met me mee naar boven en de dagelijkse strijd met het tandenpoetsen blijft ditmaal achterwege. Hij laat ook gewillig zijn gezicht wassen en drogen. Ik kan hem gewoon zijn pyjama aantrekken en in bed leggen. Zijn knuffels rangschik ik om hem heen zoals hij dat gewend is. Een enkele knuffel wordt door hem nog iets verschoven, totdat ze allemaal naar zijn zin liggen. Dan ligt hij goed. Het ziet er altijd wat stijf uit. Hij gaat niet ontspannen op zijn zij liggen of met opgetrokken benen. Hij ligt languit op zijn rug met zijn armen naast zijn lichaam. Als ik hem ’s ochtends kom halen, ligt hij nog net zo. Het is alsof hij niet gedraaid of gewoeld heeft in zijn slaap. Hoe lang hij al wakker is als ik op zijn kamer kom, weet ik nooit. Hij zal nooit ’s avonds of ’s ochtends zijn bed uitkomen om ons te roepen. Hij speelt ook niet met zijn knuffels of met ander speelgoed waarvan zijn kamer rijkelijk voorzien is. Hij ligt en wacht tot het moment dat hij gehaald wordt. Dan begint zijn dag. Dan beginnen de patronen en rituelen waarmee hij zijn dag vormgeeft en die hem houvast geven om die dag door te komen.

Nu gaat hij eerst slapen en ik zie dat zijn bleke wangen nog wat witter zijn geworden en dat zijn ogen erg waterig zijn. Ik stop hem in en zing een liedje voor hem. Het ritueel eindigt met kusjes geven in een vaste volgorde op zijn wangen. ‘Als er iets is, mag je ons roepen hoor!’, zeg ik als ik naast zijn bed sta. ‘En als je moet plassen, mag je gewoon naar het toilet gaan,’ geef ik hem nog mee en aai hem over zijn wang.
‘Welterusten lieverd.’
‘Welterusten, mam,’ fluistert hij nauwelijks hoorbaar terug.

Als ik na een paar uurtjes zelf naar bed ga, ga ik eerst bij hem kijken. Ik open zachtjes zijn kamerdeur. Mijn ogen moeten even wennen aan de duisternis en ik ruik iets vreemds. Een vieze, zurige lucht dringt tot me door. In het donker probeer ik toch wat te zien. De lamp op de overloop geeft net te weinig licht. De indringende lucht op zijn kamer is zo hevig, dat ik besluit toch maar het kleinste lampje aan te doen. En dan zie ik wat de lucht veroorzaakt. Mijn zoon ligt in bed te midden van zijn eigen braaksel. Zijn dekbed, kussen en pyjama zitten helemaal onder en hij ligt er gewoon in te slapen. De tranen springen in mijn ogen. Waarom heeft hij mij niet geroepen als hij zich zo ziek voelde? Hij weet toch dat hij mij mag roepen? Is dit gewoon, zoals hij doet?
Ik maak hem wakker en als hij zijn ogen opent, begint hij zachtjes te huilen. Ik probeer hem te troosten en benoem wat er is gebeurd. Ondertussen trek ik zijn pyjama en ondergoed uit. Hij blijft zachtjes huilen en lijkt alles welwillend te ondergaan. Hij voelt zich te ziek om te protesteren dat hij op dit vreemde tijdstip onder de douche moet. Mijn man heeft inmiddels zijn bed afgehaald en verschoond.
‘Hé, lieverd, was je zo ziek geworden? Je had mama toch mogen roepen?’, probeer ik hem duidelijk te maken. ‘Maar je had niet gezegd dat ik ook mocht roepen als ik ziek was of moest overgeven. Alleen als er iets was, mocht ik roepen!’, fluistert hij en ik voel me schuldig. Ik had moeten weten dat ik alle situaties had moeten opnoemen waarin hij mij mag roepen. En dat had ik niet gedaan. ‘Je mag altijd roepen,’ leg ik hem uit, ‘Als je ziek bent, pijn hebt, verdrietig bent, als je dorst hebt of naar het toilet moet. Je mag mama altijd roepen.’
Mijn hart breekt als ik hem zo zie. Witjes en koud. Alleen in zijn ziek zijn. Niet wetend dat ik hem wil helpen en troosten. Niet wetend dat ik er voor hem wil zijn. Ik heb het gevoel dat ik tekortschiet als moeder, omdat hij mij niet nodig lijkt te hebben. Geen beroep op mij doet.
Ik vraag me steeds vaker af wat er met mijn kind aan de hand is. Ik neem hem in mijn armen en stijfjes laat hij het zich aanleunen. ‘Lieverd, jij mag mama altijd roepen, wat er ook is,’ zeg ik en hoop dat ik tot hem doordring.
‘Altijd?’
‘Altijd!’